Ver van de bewoonde wereld verborgen in een dichtbegroeid bos met oeroude bomen woonde het Elfenvolk: Celian. Geen mens kon het bereiken. En als er wel mensen in de buurt waren, weefden de Elfen gordijnen van mist er omheen zodat niemand hen kon zien. De verdwaalde wandelaars die de dichte mist zagen hangen, haastten zich dan vlug naar huis. Trouwens de Elfen werden meteen gewaarschuwd door de dieren van het bos. De hazen, eekhoorns en vogels sloegen alarm als er een mens in de buurt kwam.

Het Elfenvolk was een tevreden volk. De Elfen waren erg aardig voor elkaar. Ze hadden nooit ruzie. En als ze al eens van mening verschilden, was het vlug opgelost. Daar zorgde de Elfenkoningin voor. Elk conflict werd uitgepraat. Het was belangrijk om elkaar te begrijpen. En niemand kreeg de schuld.

De Elfenkoningin was uitzonderlijk mooi. Ze had lang blond haar dat glinsterde in de zon. Haar vliesdunne vleugels sprankelden alsof er gouden lichtjes op zaten. Overigens schitterde ze helemaal van gouden sterretjes. Haar ogen straalden liefde uit en haar gezicht was vriendelijk. Ze droeg een gouden kroontje, maar ook zonder kroon wist je meteen dat zij de Koningin moest zijn. Behalve haar bekoorlijk uiterlijk had ze magische krachten, maar die gebruikte ze verstandig. Ze was een wijze Elfenvrouw. Ze leidde haar volk in vrede. Een enkele oogopslag was genoeg om kibbelende Elfen tot de orde te roepen. Het was niet nodig te straffen. Als iemand al eens een fout maakte, werd hij meteen apart genomen. Hij mocht uitleggen waarom hij iets gedaan had dat onjuist of onaardig was. Bijvoorbeeld andere Elfjes plagen, dingen zomaar stuk maken of iemand uitschelden. Meestal was het niet echt verkeerd, maar miste de dader de kennis. Hij wist niet dat hij daarmee anderen kon kwetsen. De Koningin sprak met hem en legde hem de zaken uit. Niemand kwam te weten wat ze gezegd had. Dat was ook niet nodig. Het was een geheimpje tussen haar en de rebel.

Het was dus logisch dat het Elfenvolk liefdevol en vrolijk met elkaar omging. Er was niets waar je bezorgd om hoefde te zijn. Er heerste in het Elfenland vooral liefde en saamhorigheid. De Koningin had het vrij gemakkelijk. Ze hoefde bijna niets te doen, omdat alles op rolletjes liep. Daarom kon ze haar tijd besteden aan het bedenken van verhalen die ze dan vertelde op mooie zomeravonden en feestdagen. Het was een zeer gelukkig volk, het Elfenvolk.

 

2  De Elfen hadden hun huizen gebouwd van twijgen, bast en bladeren. Goed verscholen tussen het bladerdek waren hun woningen zo goed als onzichtbaar voor vreemdelingen. Als er mensen in het bos kwamen om te wandelen, konden ze hun huisjes niet zien. Ook woonden er allerlei dieren in het bos. Het woud was vol met herten, konijnen, eekhoorns en vlinders. Bovendien huisden er prachtige vogels die het bos opfleurden met hun kleuren en hun gezang. Het was best wel druk in het bos. Toch had ieder zijn eigen plekje waar hij fijn kon wonen. Er was plaats voor iedereen. De Elfjes aten andere vruchten en noten dan de vogels en de eekhoorns. De herten en konijnen hadden hun voorkeur voor bepaalde struiken die de anderen weer niet aten. De bomen vonden het helemaal niet erg dat er van hun vruchten werd gegeten. Er was immers genoeg. Elk jaar groeiden er weer nieuwe vruchten die heerlijk sappig waren. Zo vernieuwde het bos zich telkens weer. Daarom was het zo fijn om in het bos te wonen. Er woei een frisse wind. En als de zon scheen vulde de lucht zich met glinsterende kristallen vonkjes. Diep verborgen in het midden van het bos lag een kristalhelder meer met siervissen, kikkers en salamanders. Rondom was een rijke begroeiing van geurende bloemen, rietpluimen en hoge planten. Ook was er een klein strandje waar de Elfjes graag naar toe gingen om te spelen. Het meer was de mooiste plek van het bos en verborg een geheim. Alleen de koningin kende het geheim van het kristalhelder meer. En zij sprak er met niemand over. Geen mens kon deze prachtige plek vinden.

Het was dan ook een consternatie toen op zekere dag een grote jongen het bos inliep en door de sluier van mist kroop.
De vogels sloegen alarm. De hazen en konijnen wisten niet hoe snel ze bij de woning van de Elfenkoningin moesten komen. En ook de herten waren in paniek.
'Een vreemdeling is binnengedrongen,' riepen ze in koor.
'Is hij gewapend?' vroeg de Koningin.
'Ik geloof het niet,' piepte een schuchter konijntje.
'Hij heeft wel een grote zak op zijn rug hangen,' schreeuwde een kalkoen.
'Daar kunnen wel rare dingen in zitten,' bromde een bever.
'Dat is waar,' beaamde de koningin. 'Ik wil dat jullie goed opletten wat hij gaat doen. Eekhoorns, willen jullie ervoor zorgen dat hij niet bij het meer komt. En waarschuw de Elfen dat ze de mist rondom het meer dikker maken.
'Koningin,' burlde het edelhert. 'Hij zit aan de rand van het bos en probeert een tentje op te zetten.'
'Hij maakt een kampvuur,' riep de ree.
'Laat hem dan maar rusten,' sprak de Elfenkoningin. 'Blijf vannacht waakzaam en morgenvroeg houden we een vergadering op de bekende plek.
Iedereen ging gerustgesteld naar huis, maar lette wel zorvuldig op de vreemdeling, die in het bos gelegerd was.

De jongen die niets vermoedde van de onrust die hij teweegbracht, zat voor zijn sheltertje een potje te koken. Hij had een slaapzak uitgerold en een vuurtje gemaakt van droge takken. In zijn rugzak zat nog een dikke pannenkoek die zijn moeder hem had meegegeven en ook nog wat lauwe chocolademelk in de thermostfles. Hij maakte een blikje bonen open en verwarmde dat boven het vuurtje. Hij had echt honger van de hele dag te lopen. En hij was moe. Het duurde niet lang meer of het zou donker worden en dan wilde hij toch graag in zijn tentje liggen.

 

3 Het was best moeilijk geweest een geschikt plekje te vinden. De grond was overal zo hard, maar hij had een strookje mos ontdekt net voordat de mist opkwam. Hij was vlug van het pad afgestapt. Even liep hij door de dichte mist en toen zag hij een mooi grasveldje onder een boom. Daar had hij zijn tentje opgezet.
Voldaan zat hij te eten. Zijn moeder moest hem nu eens zien. Ze zou trots op hem zijn. Toen hij haar te kennen gaf dat het tijd werd dat hij de wijde wereld introk, had zij hem verdrietig aangekeken. Hij wist dat het voor haar moeilijk zou zijn als hij wegging. Maar zijn moeder had hem toch gesteund. Ze had zijn kleren in orde gemaakt. Stevige schoenen voor hem gekocht en spekpannenkoeken gebakken. Ze kende zijn onrust en ook zijn verlangen. Als klein kind al droomde hij dat hij op reis zou gaan om iets kostbaars te zoeken. Al wist hij niet precies wat dat zou zijn.
Het werd donker. De jongen doofde het vuur en kroop in zijn slaapzak.
Hij merkte niet dat de eekhoorns op de tak van de boom zaten om hem te bewaken.

 

In de vroege morgen toen de zon net boven de horizon verscheen, liepen alle Elfen naar de vergaderplaats in het bos.
De Elfenkoningin was als eerste aanwezig en wachtte tot iedereen op zijn plaats zat. De spanning nam toe naarmate de Elfen en dieren ademloos wachtten op wat de Elfenkoningin te zeggen had.
Toen sprak zij: 'Lief Elfenvolk en dieren van het bos. Dit is een belangrijke dag. Beste Elfen jullie weten waarom wij hier zijn. Wij zijn uitgezonden  om de kostbare schat in het kristallen meer te bewaken. Dat is  ons goed gelukt. Geen mens kan hem vinden. En daarvoor ben ik jullie dankbaar. Maar wat jullie niet weten is, dat als er iemand zou komen om het verborgen geheim te zoeken, wij hem alle medewerking moeten geven.'
Er ging een zucht van verbijstering door de menigte. Wat was dat nu? Niemand wist wat er in het meer te vinden was. En nu kwam daar een vreemdeling en die zou zomaar toegelaten worden. Wat stond er te gebeuren?
De Elfenkoningin bespeurde de onrust. Zij stond op en strekte haar armen uit: 'Wees niet bezorgd,' zei ze. 'Niemand krijgt de schat te zien, die niet de juiste intentie heeft. Geen deugniet kan hem ooit bezitten. Daarom, breng de jongen hier naar toe. Wij zullen hem testen op zijn goede bedoelingen.'

 

4 De jongen werd wakker van het geklets van twee raven die lawaaiig op de tent sprongen.
'Hé, wat moet dat? Jullie maken mijn tent kapot.'
Hij schoof het tentzeil opzij en kroop naar buiten. Tot zijn verbazing zag hij ook twee herten voor zijn tent staan en twee hazen die op en neer hupten.
'Wat komen jullie doen?' vroeg hij een beetje angstig.
Toen dansten er twee Elfen naar hem toe: 'Wees niet bang,' riepen zij met hun hoge heldere stemmetjes. 'Wij komen je halen. De Elfenkoningin wil je spreken.'
'De Elfenkoningin? Wat moet ik dan doen? Ik  ben er niet op gekleed.'
De Elfjes begonnen te lachen. 'Jij bent zeker niet gewend om in een bos te wonen. Kijk, daar is en beekje. Daar kun je je in wassen. Kam je haren en trek  je broek glad. Dat is alles wat er nodig is. Wij wachten wel op je.'
De jongen pakte zeep en een handdoek en l iep naar de beek. Hij zou zijn goede broek aantrekken en een schone bloes. De Elfenkoningin! Voor haar kon je toch niet in vuile kleren verschijnen. Hij kleedde zich keurig aan en poetste zijn nieuwe schoenen. Hij sloot de tent af en  liep naar het groepje begeleiders dat aan de rand van het grasveld op hem wachtte.

En daar ging de optocht. De raven vlogen vooruit, gevolgd door de hazen die er meteen snel vandoor gingen. De herten liepen bedaard voor de jongen uit en de beide Elfen links en rechts naast hem.
Na een kwartiertje lopen, kwamen ze op de vergaderplek. Iedereen draaide op zijn stoel en stak zijn nek uit om de jongen goed te kunnen zien. De Elfenkoningin stond op en wees de jongen een zitplaats midden in de kring. Hij voelde zich erg verlegen met al die Elfen en dieren om hem heen die naar hem keken.
Maar de Elfenkoningin stelde hem gerust.
'Het Elfenvolk Celian heet je welkom, beste jongen. En ook de dieren zullen je geen kwaad doen. Maar eerst willen wij bepaalde dingen van je weten. Ben je bereid de vragen naar waarheid te beantwoorden?'
'Ja, koningin,' zei de jongen.
'Allereerst, wat is je naam? Waar kom je vandaan? En waar wil je heen?'
De jongen moest een beetje sllikken. Zijn naam kon hij gemakkelijk zeggen. En ook waar hij woonde. Maar hij had moeite om zijn verlangen onder woorden te brengen. Hij wist immers zelf niet wat hij zocht.
De Elfenkoningin die zijn twijfel zag, moedigde hem aan.
'Begin maar met je naam,' zei ze.
'Ik heet Andreas Mill. En ik woon in een klein vervallen huisje aan de rand van het dorp. Alleen met mijn moeder.'
'Weet je moeder dat je hier bent?'
'Zij weet niet waar ik ben, maar zij heeft goed gekeurd dat ik op reis ging.'
'Vertel me eens: 'Waarom ben je weggegaan?'
'Als klein kind verlangde ik geld te verdienen voor mijn moeder, die zo hard moest werken. Dan droomde ik van een spiegelend meer. Telkens als ik het water in wilde stappen, werd ik wakker. Verleden week kwamen de dromen terug. Ik hoorde een stem die me verzocht het meer te zoeken. Het laat me niet meer los. En daarom ben ik op weg gegaan.'
De Elfenkoningin keek hem recht in de ogen. Ze geloofde hem. Maar eerst wilde ze met haar volk overleggen. Als iedereen het eens was, mocht de jongen blijven.
Ze wenkte de herten, hazen, raven en Elfen om de jongen terug te brengen naar zijn tent.
'Rust maar wat uit,' zei ze tegen de jongen. 'Maar blijf in de buurt. Straks word je gehaald. En dan hoor je wat wij beslist hebben.

 

5 Toen Andreas met zijn begeleiders weg was, vroeg de Elfenkoningin: 'Wie is er tegen dat de jongen blijft?'
Het was doodstil. Niemand durfde iets te zeggen. Ze wisten gewoon niet wat ze ervan moesten denken. Zoiets hadden ze nog nooit meegemaakt. Maar Sander, de oudste Elf stak zijn hand op.
Hij zei: 'Koningin met uw welnemen. Het is niet eerlijk dat een vreemdeling bij de schat mag komen, terwijl wij, uw trouwe dienaren, het geheim niet kennen?'
'Dat is een goede vraag,' zei de Elfenkoningin. 'Ik begrijp dat jullie een beetje ondersteboven zijn van de indringer. Maar Andreas is een mens. Het wordt tijd dat jullie dit weten. Alleen een mens mag het geheim van het meer ontdekken. Alleen een mens die een goed hart heeft, mag de schat vinden, opdat hij het goede naar de mensenwereld zal brengen. En dat was de bedoeling van het verbergen van de schat.'
Toen stak Elianne, de jongste Elf, haar hand op en zei: 'Koningin, wij kennen het geheim van het meer niet. Het zal iets zeer kostbaars zijn. Is het niet beter om eerst nog wat meer van de jongen te weten? Laten we hem hier aan het werk zetten. Hij moet het verdienen.'
De Elfen mompelden instemmend. Daar waren ze het wel mee eens. En ook de dieren knikten mee, hoewel ze er niets van snapten. Zij vonden alles goed wat de Elfen deden.
De Elfenkoningin zei: 'Bedenk maar eens welke karweitjes we de jongen kunnen opdragen. Morgenvroeg is er weer een vergadering.
Ze liep statig weg en iedereen volgde.

 

6 En zo gebeurde het. Andreas werd te werk gesteld bij verschillende Elfen. Hij moest bijvoorbeeld voor de bloemen en planten zorgen bij de tuinier. Een andere Elf vroeg hem mee te helpen bij de bouw van nieuwe woningen. En voor een derde moest hij voedsel verzamelen. Voor de kok maakte hij kleine hapjes klaar. Andreas deed het werk met plezier. Hij was heel prettig in de omgang vonden de Elfen. Maar toen hij al maandenlang gewerkt had, vond Andreas het tijd om op te stappen. Hij vond het fijn bij het Elfenvolk Celian maar nu wilde hij verder om aan het verlangen van zijn hart gehoor te geven. Want de dromen waren heviger geworden. Elke nacht droomde hij van het kristalheldere meer. Het lokte hem. Hij moest ernaar toe.

Hij vroeg een onderhoud aan bij de Elfenkoningin.
'Koningin,' zei hij. 'Denk niet dat ik ondankbar ben, maar ik zou graag weer verder gaan. Het meer roept me. Ik moet het zoeken.'
De koningin glimlachte verheugd: 'Ik was bang dat je het nooit zou vragen?' zei ze. 'Nu weet ik zeker dat ik jou het geheim  kan toevertrouwen. Wees nog even geduldig. Rust een tijdje uit op je plekje bij de boom. Wij moeten nog iets in orde brengen en dan komen we je halen en brengen je naar het meer.
Andreas ging terug naar zijn tent. Ruimde op, pakte zijn rugzak in en ging op de slaapzak liggen om nog wat te slapen.

In de zeer vroege ochtend, het was nog halfdonker, liep de Elfenkoningin met haar twee trouwe gezellen, Julian en Floris, naar het meer.
'Haal Andreas. Het is de hoogste tijd.'
Zonder iets te zeggen, haastten zij zich naar de jongen en geboden hem mee te gaan.
Andreas wreef de slaap uit zijn ogen, geeuwde flink, rekte zich uit en ging zwijgend met hen mee. Hij besefte dat dit een belangrijk moment was. Hij was klaarwakker.

 

7 De Elfenkoningin begroette hem vriendelijk.
Zij vroeg: 'Andreas verlang je nog steeds om het kostbare geschenk van het meer te kennen en te bezitten?'
'Ja Elfenkoningin,' antwoordde Andreas plechtig.
'En ben je ook bereid de consequenties te aanvaarden. Ook al brengt dat moeilijkheden met zich mee?'
'Ja,' Koningin.
'Gebruik je het geschenk dat je krijgt om andere mensen te helpen als het nodig mocht zijn?'
'Ja, Koningin. Ik beloof het,' zei Andreas.
'Dan ben je waardig om de schat te zoeken.
'Floris en Julian, breng Andreas naar het meer.'
De beide Elfen namen Andreas tussen hen in en brachten hem bij de oever van het meer. Een zachte grijze mist hing over het water en in het midden glinsterde een gouden golfslag die door de opkomende zon verlicht werd.
Ze gaven Andreas een duwtje in de richting van het meer en wezen hem de geheimzinnige plaats aan die een eigen licht scheen uit te stralen. Ze keken hem na hoe hij langzaam in het water verdween. Toen liepen ze terug naar de Elfenkoningin.
'Koningin,' zei Floris. 'Andreas is het water ingegaan.'
'Dat is goed,' zei de Elfenkoningin. 'Hij is de juiste persoon. Hij zal de schat vinden. Maar dat betekent dat wij moeten vertrekken. Ons werk is gedaan. Roep het volk bijeen. Dat iedereen zich gereed maakt om weg te gaan. Breng alles terug in de natuurlijke staat. Dat wil zeggen: dat niemand nog kan zien dat wij hier gewoond hebben. Ik zal op Andreas wachten. Loop met het Elfenvolk Celian naar het noorden en wacht op mij aan de rand van het bos. Ik zal me bij jullie voegen als Andreas de schat naar boven heeft gehaald.'

 

8 Andreas dook het water in en zwom naar de lichtgevende plek in het midden van het meer. Opeens botste hij tegen een glazen wand aan. Hij kon niet meer verder. Hij gleed langs de glazen versperring om de opening te vinden. Nergens zag hij een deur. Hij zwom er helemaal omheen en klom er zelfs bovenop. Maar nergens kon hij naar binnen. Teleurgesteld zakte hij naar de bodem en ging zitten. Hij was uitgeput en viel nogal hard tegen de wand. Tot zijn verrassing werd hij naar binnen getrokken. Hij bevond zich in een enorme glazen koepel waarin een warm licht scheen. In het midden op een klein podium schitterde een groot kristal dat alle kleuren van de regenboog in een zacht lich uitstraalde. Andreas kon zijn ogen niet geloven. Zoiets moois had hij nog nooit gezien. Wat moest hij nu doen? Hij kon het toch niet meenemen. Zoiets prachtigs moest beschermd worden.
'Precies,' zei een stem. 'Dat is juist.'
Andreas keek alle kanten uit om te zien wie daar tegen hem sprak. Hoe wist die stem trouwens wat hij had gedacht? Hij had toch niet hardop gesproken?
'Ik ken je gedachten,' zei de stem. 'Doe geen moeite. Je kunt me niet zien. Maar ik weet wat je denkt. Eerst ga ik je een paar vragen stellen. Je kunt me niet bedotten, want ik weet wanneer je liegt of de waarheid  zegt.'
'Dan hoeft u mij toch niets te vragen, als u het antwoord al weet,' zei Andreas.
'Ha, ha, worden we brutaal?' grinnikte de stem. 'Nou ja, ik houd wel van slimme jongens. Natuurlijk ken ik de antwoorden. Maar voor de formaliteit moeten de vragen nu eenmaal gesteld worden. Het is als een examen, snap je. Ik moet kunnen doorgeven dat je geslaagd bent.'
'Oké, vraag dan maar,' zei Andreas dapper.
'Ben je bereid om dit kosmisch kristal aan de Elfenkoningin te geven?'
Onthutst keek Andreas op. Hoe moest hij deze opdracht vervullen?
'Je wordt gehopen,' zei de stem. 'Nogmaals. Ben je bereid dit kosmisch kristal aan de Elfenkoningin te geven?'
'Ja meneer,' zei Andreas verlegen.
'Weet je zeker dat je dit juweel niet zelf wilt houden?'
'Ja meneer. Ik zal uw opdracht vervullen.'
'Dat is juist,' zei de stem.
'Nog een vraag. Als je iets kostbaars zou krijgen, hou je dat dan voor jezelf of probeer je er anderen, die niet zo gelukkig zijn, te helpen?'
'Als het in mijn vermogen ligt, zal ik graag helpen,' zei Andreas kordaat.
'Prima, je bent geslaagd. Neem het kristal.'
Op hetzelfde moment kreeg hij het kristal in zijn armen geduwd en vloog hij ermee door het plafond van de koepel en belandde in het water. Hij proestte het uit, maar hield het juweel stevig onder zijn arm gekneld. Toen zwom hij met een hand naar de kant. Drijfnat kroop hij uit het water. Hij rilde. De mist benam hem het zicht. Kuchend struikelde hij over een boomstronk en botste tegen de Elfenkoningin aan. Verbaasd overhandigde hij haar het kristal.
'Alstublief,' zei hij beleefd. 'Ik heb dit prachtige kristal gekerkgen om aan u te geven.'
De Elfenkoningin nam het aan.
'Hoe is het gegaan?' vroeg ze.
Andreas straalde.
'Het was fantastisch,' zei hij. 'Zo mooi, zo vol licht en liefde. Jammer dat er geen mensen waren. Ik hoorde alleen een stem.'
'Er mogen geen mensen komen,' zei de koninigin zacht.' Alleen degene die de eigenschappen van het kristal kan begrijpen en doorgeven. De mensen zijn zo hebberig. Ze zouden hem in hun zak steken. En dan zou het kristal zijn waarde verliezen. Jij hebt hem mee teruggebracht.'

 

9 De Elfen koningin haalde iets uit haar jaszak. In haar geopende hand lag een flonkerende edelsteen. Een geslepen diamant die zacht alle kleuren van de regenboog uitstraalde. Andreas keek met open mond toe. Hij was zo mooi.
'Dit is je beloning,' zei de Elfenkoningin. 'Neem deze kleine steen in ontvangst. Je hebt hem verdiend. Draag hem steeds bij je. Hij beschermt je en brengt geluk. Hij is een deel van de oorspronkelijke steen. Hij heeft dezelfde eigenschappen als het kristal dat in het meer verborgen was. Toon hem aan de mensen. Hij brengt voorspoed en vrede. Het is jouw steen en jij bepaalt wie je ermee wilt helpen.'
Andreas wist niet wat hij moest zeggen. Zo ontroerd was hij. Hij wilde hem onmiddellijk aan zijn moeder laten zien. Wat zou ze blij zijn.
De Elfenkoningin glimlachte vriendelijk.
'Ga eerst maar lekker slapen. Het wordt al donker. Het was voor jou een  vermoeiende dag.'
Ze riep de herten. 'Breng Andreas naar zijn tent en zorg voor hem.'
En tegen Andreas zei ze: 'Dag Andreas. Het was fijn om je in ons midden te hebben. Dank daarvoor. Het ga je goed.'
'Dag Elfenkoningin,' stamelde Andreas. 'Ik vond het ook heerlijk bij jullie.'
Hij snotterde een beetje. Hij stond te trillen op zijn benen van emotie. De herten maakten er een einde aan. Ze duwden hem in de richting van zijn tentje waar hij vermoeid in kroop en snel in slaap viel.

Andreas werd wakker en zag dat de mist verdwenen was. De zon scheen en het was heerlijk warm. Hij stond op en liep in de richting van het meer. Hij wilde de plaats  terugzien waar hij zo'n wonderlijke ervaring had gehad. Maar het meer had zijn glans verloren. Het lag er open en bloot. Nergens zag Andreas sporen van het Elfenvolk Celian. Hoe vreemd. Zou hij het gedroomd hebben? Hij voelde in zijn broekzak. Daar vond hij de diamant. Hij draaide de steen in de palm van zijn hand. Hij schitterde in het zonlicht. Nog even mooi als gisteren. Andreas zuchtte. Het moest dus echt gebeurd zijn. Maar het Elfenvolk was verdwenen. Moedeloos ging hij zitten. Hij had zijn vrienden nog graag gedag gezegd.
Opeens huppelde er een konijntje naar hem toe.
'Andreas,' zei het. 'Wees niet bedroefd. Het Elfenvolk Celian laat je groeten en wenst je een goede thuisreis. De Elfen hadden je ook nog graag gedag gezegd, maar daar was geen tijd voor. Daarom ben ik hier. Ga terug naar je wereld en vervul de opdracht van de Elfenkoningin. Het ga je goed!'

 

10 Hij hupte het bos in en liet Andreas alleen achter. Andreas liep terug naar zijn tentje. Ook de herten, de eekhoorns, vogels en hazen kwamen afscheid van hem nemen. Daardoor voelde Andreas zich minder eenzaam en verdrietig.
Het eldelhert burlde: 'Andreas, je moet maar zo denken. Beter een afscheid van goede vrienden dan dat je zonder vrienden was geweest. Ga terug naar de mensenwereld. Het bos behoort aan de bomen, planten en dieren.'
Hij burlde nog een keer draaide zich om en rende het bos in.

Andreas vouwde zijn tentje op en pakte zijn rugzak. Met een afgebroken tak met bladeren veegde hij de grond aan. Hij wilde alles netjes achterlaten. Toen keek hij nog een keer naar het bos en nam in stilte afscheid.
Het is goed om afscheid te nemen. Om met dankbaarheid voor de fijne tijd verder te kunnen gaan. En Andreas was dankbaar. Hij was vervuld van geluk. Hij deed zijn wandelschoenen aan, bond zijn rugzak om en ging op weg.
Hij liep fluitend over de landwegen. Hij genoot van de bomen, de koeien in de wei en het zonnetje dat scheen. Hij keek dan ook vreemd op toen hij een klein meisje aan de kant van de weg op een steen zag zitten. Ze huilde.
'Wat is er aan de hand? Waarom huil je zo?' vroeg Andreas.
Het meisje keek op. Ze snikte nog na met lange halen. Andreas pakte een zakdoek uit zijn zak en begon het meisje haar tranen te drogen.
'Huil niet,' smeekte hij. 'Ik zal je wel helpen.'
'Niemand kan mij helpen,' zei het meisje verdrietig. 'Ik ben het zieligste meisje van de klas.'
'Wat is er gebeurd, dat jij je zo zielig vindt?'
'Ik ben gevallen. Mijn voet doet pijn. Ik kan niet meer lopen.'
Andreas ging naast haar zitten. Het meisje snikte nog na.
'De hele week heb ik al pech. Ik heb mijn arm bezeerd en ik ben op mijn knie gevallen en nu is het mijn voet.'
Andreas had medelijden met het meisje, maar hij wist niet goed wat hij moest doen.
'Zal ik je naar huis dragen?' vroeg hij.
Het meisje schudde van nee en begong opnieuw te huilen.
'Hoe heet je?' vroeg Andreas om haar af te leiden.
'Annelientje.'
'Nou, Annelientje, dan zal ik proberen jouw pijn weg te halen,' zei Andreas.
Hij voelde eens in zijn broekzak en daar vond hij de prachtige kristallen steen. Hij liet hem aan Annelientje zien. En zonder er bij na te denken, wreef hij de steen over de verstuikte voet.
Annelientje hield meteen op met huilen.
'De pijn wordt minder,' fluisterde ze vol ontzag. 'Ben jij een dokter?'
'Nee, ik geloof dat de steen een wondersteen is.'
'Wat is hij mooi! Hoe kom je eraan?' vroeg Annelientje begerig.
'Dat kan ik je niet zeggen,' zei Andreas.
Hij begreep opeens dat het geschenk van de Elfenkoningin heel bijzonder was en dat hij daar zeer zorgvuldig mee moest omgaan.
'Het voornaamste is dat je geen pijn meer hebt. Probeer eens of je er op kunt staan?'
'Ja, de pijn is weg. Hoe kan ik je bedanken?' riep Annelientje verheugd.
'Door je niet meer zielig te voelen en nooit meer te denken dat je zielig bent.'
'Ik beloof het.'
Annelientje liep terug naar huis en Andreas sloeg de bosweg in om vlugger in zijn dorp te zijn. Ook wilde hij eventjes alleen zijn. Want wat er met de steen was gebeurd, daar moest hij nog een tijdje over nadenken.

 

11 Hij liep zo in zichzelf te peinzen dat hij de oude man niet had gezien die naar hem loerde. De man wilde wel eens zien wat Andreas in zijn zak had. Wat was het dat het meisje aan het lachen had gemaakt. Hij was nieuwsgierig en hebberig. Als het iets was waarmee hij geld kon verdienen, zou hij het van Andreas afpakken. Hij moest het weten. De oude man nam met snelle stappen een omweg en kwam pardoes voor Andreas staan.
Andreas schrok. En snel stak hij zijn hand in zijn broekzak om de steen te beschermen. De man grinnikte en zei:
'Ik heb gezien wat je bij Annelientje deed. Ik heb ook pijn aan mijn knie. Kun je me helpen?'
Andreas wilde de steen al pakken, maar iets hield hem tegen. Hij merkte iets onaardigs aan deze man. Die man wil hem kwaad doen. Hij mocht in geen geval de diamant te voorschijn halen.
'Ik kan je niet helpen,' zei Andreas.
'O, jawel. Laat eens zien wat je in je zak hebt,' beval de man.
'Niets, laat me met rust,' riep Andreas hard.
'Kom op, kom op,' schreeuwde de man. Hij begon aan Andreas' arm te trekken. Andreas wist zich geen raad. 'Help!' riep hij. 'Help!'
Opeens doken er drie eksters uit een boom en vlogen om het hoofd van de man. Ze krijsten zo hard en fladderden om de man heen dat hij wild met zijn armen begon te zwaaien. De man liet Andreas los en zette het op een lopen. De eksters vlogen een tijdje achter hem aan totdat hij verdwenen was.
'Hè, hè, dat was schrikken.'
Andreas veegde het zweet van zijn voorhoofd. Hij begreep dat hij heel
voorzichtig met de steen moest zijn. Hij moest goed  opletten aan wie hij de steen liet zien. Niet iedereen kon er tegen. Er waren nu eenmaal hebzuchtige en jaloerse mensen. En zulke mensen probeerden anderen kwaad te doen. Omdat zijzelf niet gelukkig waren, wilden ze alles van blije, vrolijke mensen afpakken. Andreas moest zorgen dat de diamant niet in verkeerde handen terecht kwam. De edelsteen bracht een grote last me zich mee.

 

12 Opeens werd hij erg moe. Hij ging aan de kant van de weg zitten. Hij dronk wat water uit de thermoskan die hij nog bij de stromende beek gevuld had.
'Hallo! Ben jij verdwaald?' klonk het naast zijn oor.
Andreas draaide zijn hoofd om keek in een vrolijk jongensgezicht.
'Nee,' zei Andreas. 'Ik rust een beetje uit.'
'O! Ben jij dan bekend in deze streek?'
'Ja, ik woon aan de andere kant van het bos.'
'Woont er bij  jou in de buurt soms een vrouw die de grootmoeder van Charlotte is?'
'Wie is Charlotte?'
'Ikke.'
Een klein meisje was achter een boom vandaan gekomen. Zij keek Andreas hoopvol aan en zei: 'Ik wil zo graag naar mijn grootmoeder, maar ik weet niet waar ze woont.'
Andreas moest daar even over nadenken.
'Je ouders kunnen je toch bij haar brengen,' bedacht hij ineens.
'Nee, dat kan niet.' Het meisje keek beteuterd. 'Mama, wil niet dat ik naar haar toe ga.'
'Waarom niet?' vroeg Andreas ongelovig.
'Ik begrijp het ook niet,' zei het meisje verdrietig. 'Ik geloof dat ze ruzie hebben. Volgens mijn moeder verwent grootmoeder mij te veel. Ik vind van niet. Maar niemand luistert naar mij. Ik vind het zo fijn bij haar.'
Andreas wist nu werkelijk niet wat hij moest doen. Hij wilde het meisje graag helpen. Maar hoe?
Chasrlotte keek hem smekend aan. Alsof hij  in staat was een oplossing te vinden. Hij kende de grootmoeder niet. En ook al was dat zo, mocht hij Charlotte dan helpen als haar moeder het niet wilde?
Hij zuchtte diep en stak zijn hand in zijn broekzak. Hij voelde de steen in zijn hand branden. Wat kan een toversteen nu uitrichten? Het meisje had geen uitwendige pijn, maar heimwee naar haar grootmoeder.
Andreas wendde zich tot de jongen.
'Wie ben jij?'
'Ik ben Jeroen, de buurjongen van Charlotte. Ik heb beloofd dat ik met haar mee zou gaan om haar grootmoeder te zoeken. Maar ik weet het ook niet meer. Ik denk dat wij verdwaald zijn.'
De kinderen keken vol verwachting naar Andreas. Ze waren er bijna zeker van dat Andreas wist welke weg ze moesten nemen. Maar Andreas wist niet wat hij moest doen. De spanning werd hem te veel. Hij stond op. De onrust kon hij bijna niet verdragen. Hij sloot zijn ogen, terwijl hij de steen omklemde en concentreerde zich op het probleem.
'Help me,' fluisterde hij.
Toen deed hij zijn ogen open en zag tot zijn verbazing het gezicht van de Elfenkoningin tussen de bladeren van een boom schemeren. Ze glimlachte hem lieftallig toe. Toen ze zag dat hij haar had ontdekt, wees ze een richting uit. Het begon te waaien. De wind floot een melodietje met de woorden. Stuur ze die richting uit. Dan komen ze er vanzelf. Maak je niet meer ongerust. Alles zal goedkomen.

 

13 Andreas maakte een vreugdesprongetje. Zo blij was hij dat hij de oplossing wist.
'Loop maar die kant uit,'  zei hij tegen de jongen. 'Charlotte zal vlug bij haar grootmoeder zijn en alles zal goed komen.
'Hoe weet jij dat?' brieste Jeroen.
,Ga nu maar en vraag niet zo veel.'
'Kom Jeroen,' zei Charlotte en greep zijn hand vast. 'Ik geloof hem.'
Samen liepen ze de aangewezen richting uit.

Andreas keek hen na totdat ze ver in het bos achter de bomen verdwenen waren. Het werd tijd dat hij naar huis ging. Het begon al te schemeren. Andreas zette flink de pas erin en rustte niet voordat hij de rand van het dorp had bereikt. In de verte zag hij het huisje van zijn moeder. Hij verheugde zich op het weerzien.
Maar zo vlug ging het nu ook weer niet. Want toen hij bij het huisje kwam, bleek zijn moeder niet thuis te zijn. Wat was dat een teleurstelling. De deur was op slot en nergens brandde licht. Hij kon er niet in. Waar moest hij nu slapen?
Andreas had honger en hij was moe. Hij moest zijn moeder vinden. Hij graaide in zijn jaszak en pakte de steen. De Elfenkoningin zou hem wel helpen. Maar hoe hij ook zijn best deed om haar te zien; er gebeurde niets. Zij bleef onzichtbaar.

 

14 Ten langen leste liep hij naar het dorp en stapte het dorpscafé binnen. Het was er lekker warm. Andreas keek rond of hij iemand kende, maar aan de tafeltjes zaten alleen mannen die aan het kaarten waren en een biertje dronken. Achter de toog stond de waard glazen te spoelen. Hij keek verrast op.
'Hé, Andreas, jij hier?'
'Weet u misschien waar ik mijn moeder kan vinden?'
'Je moeder? Is die niet thuis?'
'Nee, meneer,' antwoordde Andreas bezorgd.
'Nu je het zegt. Ik denk dat ze bij Bertus is. Hij heeft een ongeluk gehad en je moeder brengt hem elke dag eten.'
'Bertus ken ik niet. Waar woont hij?'
'Hij woont nog niet zo lang in het dorp. Als je bij de bakker links afslaat, kom je vanzelf bij zijn huisje.'
'Bedankt meneer, ' zei Andreas beleefd en liep naar buiten.

De bakker kon hij gemakkelijk vinden. Hij sloeg links af de donker steeg in. Aan het einde zag hij het kleine huisje liggen. Hij kon zich niet herinneren dat hier ooit mensen hadden gewoond. Hij zag een zacht schijnsel door het raam. Er was dus iemand thuis. Andreas klopte op de deur.
Hij hoorde gestommel in de gang en een stem die riep: 'Ik doe wel open.'
De deur zwaaide open. In de gang stond Bertus. Een jonge man met zwart krullend haar en guitige ogen. Zijn rechteram zat in het gips.
'Warempel. Daar hebben we Andreas,' riep hij vrolijk.
'Andreas?' klonk het uit de keuken.
'Kom er vlug in. Je moeder verwacht je al.' zei Bertus.

 

15 Nog voordat Andreas kon vragen, hoe ze dat wist, kwam zijn moeder op hem af en gaf hem een dikke knuffel.
'Wat ben ik blij dat je weer terug bent,' zei ze opglucht. 'Je zult wel honger hebben.'
Ze trok hem mee naar binnen. De tafel was gedekt. Er stond zelfs een bordje voor hem klaar.
Andreas was de kluts kwijt. Hoe wist zijn moeder dat hij zou komen? En wat deed zij bij Bertus? Hij leek wel aardig, maar Andreas was het liefst met zijn moeder alleen. Hij had haar alles willen willen vertellen, maar niet met Bertus erbij.
Hij zat dus wat stilletjes aan tafel en prikte in zijn eten. Zijn moeder begreep dat. Ze gaf hem een knipoog en zei zacht: 'Bertus kent de Elfenkoningin.'
Andreas wist niet meer hoe hij het had.
Zijn moeder vervolgde: 'De Elfenkoningin heeft Bertus laten weten dat je kwam. Jij zou hem kunnen helpen zijn pijn weg te nemen.'
Bertus knikte en keek hem hoopvol aan.
Andreas zei nog steesds niets. Hij was helemaal in de war.
Opnieuw zei zijn moeder: 'Bertus is een troubadour, weet je. Hij zingt ballades en speelt op zijn luit voor de mensen. Hij brengt overal vreugde en plezier. Maar nu heeft hij zijn pols gebroken en het wil niet goed genezen. Is het waar? Kun jij hem helpen?'
Zijn moeder keek hem vragend aan.
Andreas slikte een prop in zijn keel weg.
'Ik niet, maar de steen.' hakkelde hij.

 

16 Hij haalde de kristallen steen uit zijn zak en toonde hem aan zijn moeder. Toen liep hij naar Bertus. Hij concentreerde zich op de diamant en dacht intens aan de Elfenkoningin. Daarna streek hij zachtjes de magische steen over de pijnlijke pols van Bertus net zo lang totdat de pijn verdwenen was.
Zijn moeder en Bertus keken heel gelukkig. Wat waren ze blij. Ze beseften dat Andreas iets heel bijzonders bezat dat mensen kon genezen en geluk bracht. Ze moesten hem beschermen. Hij zou er niet alleen voor staan.
Andreas was tevreden. Later zou hij zijn moeder alles vertellen wat hij beleefd had. Ook wist hij zeker dat hij altijd kon rekenen op de Elfenkoningin. Vooral als het te moeilijk werd.