© Marlène Hommes

Kinderversjes I

Marlène Hommes,

Inhoud

Voor Maéva
Voor Danaé
Vlinders
Het Elfje

VOOR MAÉVA

Mooier dan de bloemen in mei
ben jij met je gulle lach.
Een stralende zomerdag
en dansende zonnestralen
in je haren.
Ogen als vergeet-mij-nietjes
spreken van ware
levenslust
en brengen vreugde
in het land en aan de kust.

VOOR DANAÉ

In een hemel vol sterren
fonkelend in de nacht
is er één ster
die hoort bij jou.
Hij beschermt je
en geeft je kracht.

Zijn licht schijnt op je pad
sprankelend elke dag.
Alles mag je vragen,
hij kan je nooit verlaten.
Fluister zacht,
hij zal met je praten.

VLINDERS

Drie kleine vlinders
dansten in het gras
en snoefden om het hardst
wie de mooiste was.

Ik zei het blauwtje,
want ik gelijk de korenbloem
de koningin van het gewas
en het blauw van het heelal.

Poeh, zei het witje.
Ik lijk op ijskristal
en pas gevallen sneeuw.
Ik oog een zilvermeeuw.

Dat had je gedacht,
zei de maanvlinder.
Ik schitter goud als volle maan
in donkere nacht.


Drie kleine vlinders
zweefden van bloem naar bloem
en zochten iemand
die het zeggen kon.

De toverfee hoorde hun gekijf.
Ik weet wel raad, sprak zij.
Alle drie zijn jullie bijzonder
schoon van kleur en lijf.

En elk is zeldzaam mooi,
apart en niet te evenaren.
Waarom dan dat gezeur,
laat jullie ruzie varen.

De vlinders sprongen blij
in de bloemenwei
en bedankten de toverfee
voor de woorden die zij zei.

HET ELFJE

Een klein lief elfje zat
verloren op een rozenblad
zichzelf in slaap te sussen.

Zij was heel alleen
al haar knuffels waren weg,
had niemand om te kussen.

Elfje zong een droevig lied
plengde tranen van verdriet,
was eenzaam en verlaten.

Daar daalde de goede toverfee
naast het elfje neer
en nam het in haar armen.


Kom mijn lieve hartendief
ik zal je wel verwarmen.
Je hoeft het maar te vragen.

Ik zal altijd bij je zijn.
In vreugde en verdriet
zal ik je zachtjes dragen.

Elfje droogde al haar tranen
en lachte vol geluk.
De fee zou haar nooit verlaten.

Kinderversjes IKinderversjes II